Dweiltjes en natte doeken

Uitvliegen, het nest verlaten: een grote overgang in het leven. De wijde wereld is het spannende nieuwe terrein dat moet worden ontdekt. De volwassenheid is nog niet helemaal bereikt, maar lonkt wel aan de horizon.
door Jos Versteegen – illustratie: Jos Thomassen

Ik zette de grote stap in 1975, toen ik achttien was en Nederlands ging studeren in Nijmegen. Ik herinner me dat ik door het centrum liep en naar de drukte keek: voor mij, opgegroeid op het platteland, was het niet minder dan wervelend. Mijn leven had een mooie wending genomen. Nieuwe mensen leren kennen, me verder verdiepen in literatuur en taal, vrij zijn – het was bijna adembenemend.

Dat positieve, dat verwachtingsvolle, ging hand in hand met iets negatiefs. Ik had geleefd in een klein wereldje, waarin koeien melken en asperges steken centraal stonden en waar het lezen van een boek werd gezien als iets overbodigs. Werken op het land, daar had je iets aan, dat was nuttig. Een zwager probeerde me de zinloosheid van mijn studie duidelijk te maken. Ik las boeken, dus werd ik later leraar Nederlands. Dan zou ik op mijn beurt jonge mensen boeken laten lezen. Een cirkel van zinloosheid. Dat was hard voor mij, want ik had nog maar kort geleden, op de middelbare school, de wereld van een schrijver als Louis Couperus ontdekt. Ik had zijn schitterende Nederlands leren kennen. En ik was met hem als het ware op reis geweest. Deze kosmopoliet had mij via zijn boeken meegenomen naar Zuid-Frankrijk, Italië, Indië. Hij had me zelfs laten ‘tijdreizen’ naar de Egyptische, Griekse en Romeinse oudheid. Dat was nog eens wat anders dan koeien en asperges. Veel later zou ik een lied over hem schrijven, dat begon met deze regels:

Ik zat op school, ik was nog jong, Louis,
toen ging ik met je mee naar blauwe kusten.
Met jou zag ik de palmen en de zee.
We dronken wijn aan wufte boulevards.

Het was zo fijn, met jou door Nice flaneren,
door Rome en Florence, door zoveel steden,
en ook al ken ik jou heel goed, Louis,
toch heb ik jou nog nooit ontmoet, Louis.

De literatuur werd mijn wereld. En ik reisde. Ik woonde een jaar in Indonesië – dat ik daarvoor koos, had te maken met Couperus en zijn roman De stille kracht, waarin de geheimzinnigheid van het Oosten wordt opgeroepen. Mijn leven was, al zeg ik het zelf, best interessant geworden.

Maar toen ik tegen de vijftig liep, ging ik terugkijken, zoals zoveel mensen doen. Vanuit mijn Amsterdamse stadsleven kreeg de voorbije plattelandswereld een nieuwe, weemoedige inkleuring. Het was toch wel bijzonder dat mijn oma en opa in de jaren vijftig nog in een koetsje reden, en dat ik werd geboren in een huis zonder elektriciteit en stromend water. Het leek wel of ik, terugdenkend aan mijn jeugd, een blik wierp in de negentiende eeuw. Zo had ik het nog niet eerder gezien.

Spullen die ik van mijn ouders kreeg toen ik ging studeren, had ik altijd om me heen gehad en gebruikt. Simpele, alledaagse dingen: kopjes en schoteltjes, een strijkijzer, een broodmes, een glazen saladekom. Ik keek met een nieuwe blik naar die voorwerpen van vroeger en besefte hoeveel ze voor me betekenden. Die kopjes waren niet zomaar kopjes, ze werden in mijn jeugd altijd gebruikt op zon- en feestdagen. Het waren de ‘zondagse kopjes’, een geschenk voor mijn ouders toen ze trouwden. Ik kreeg geen heimwee, maar ik voelde wel een band met vroeger.

De band werd sterker toen mijn ouders ziek werden en stierven. Mijn erfenis werd uitgebreid met de portemonnee en de trouwring van mijn vader. En met zijn geldkistje, waarin hij niet zozeer geld maar wel belangrijke voorwerpen als paspoorten en de diploma’s van zijn kinderen bewaarde. Ik kwam tot de conclusie dat ik via deze spullen een verloren wereld kon oproepen – als ik er gedichten over zou schrijven. Een eenvoudige wereld, met koeien en asperges, die toch ook de mijne is en blijft.

Uitvliegen is goed en nodig, maar het verleden valt niet weg te poetsen. Mijn ouders zijn me dierbaarder geworden. De schrijver Gerard Reve speelde hierbij ook een rol. Aan het slot van zijn roman De avonden, die zich afspeelt in de kerst- en nieuwjaarstijd, beseft de hoofdpersoon hoeveel liefde hij voelt voor zijn doodgewone, burgerlijke vader en moeder.

Na hun dood zijn mijn ouders via de poëzie teruggekomen in mijn bestaan. In dit kleine gedicht, bijvoorbeeld, is mijn moeder bezig met haar huishoudelijk werk. Ik had in 1975 niet kunnen dromen dat deze alledaagsheid me nog eens zou inspireren en ontroeren:

 

Zij doet haar ronde door het huis.
Haar dweiltjes en haar natte doeken
om vensterbanken af te nemen,
siervazen, plinten, keukenkastjes –
ze wringt er met haar werkmanshanden
een straaltje water uit, askleurig.
Je vraagt niet na waar dweiltjes blijven,
en natte doeken. Over de rand
van emmers hingen ze te drogen.